Activiteiten-Proeverijen
door Ronald Looyen
En waar ligt de oorsprong van alle whisk(e)y?, was de huiskamervraag aan het begin van de Ierse whiskey avond, op 7 mei 2010, in de Sociëteit aan de Zijlweg. Huiskamer? Bijna. Het was al weer voor de derde keer dat we hier een warm welkom werden geheten. Bij deze ingelaste whiskeyproeverij waren 23 belangstellenden langsgekomen die bijna allemaal rustig het bekende antwoord afwachtten.
"Ierland!!", riep de ex-voorzitter opmerkelijk snel en buitengewoon enthousiast, blij dat hij iets van zijn encyclopedische kennis met ons kon delen. Ja, ha! Kom, vertel Jaap wat...
Welnu, dát ging Linda Khalfi, de vriendelijke en welbespraakte brandambassador van Cooleys de komende uren doen. Dat begon met een inleidend stukje geschiedenis. Nadat er batterijen in de afstandsbediening van de pcprojector gestoken waren, stak ze van wal.
Ruim honderd-en-vijftig jaar geleden werd er nog op zo'n 200 verschillende locaties gedistilleerd, al dan niet legaal, waarbij zowel single, double als triple werd gedistilleerd. Dat was mooi. Maar helaas waren er enkele redenen waarom het in Ierland "van dominance tot ruin" was gegaan. Neem bijvoorbeeld de uitvinding van de Continuous Still (of Patent Still), die een ommekeer bewerkstelligde in de distilleertradities. Deze Patent Still wordt ook wel Coffey Still genoemd omdat het patent op naam staat van Aeneas Coffey, een Ier! Het toen grootste whiskey exporterende land ter wereld raakte ook nog eens een flinke afzetmarkt kwijt doordat de Amerikanen in 1920 De Drooglegging bedachten; alsof het nog niet genoeg was moest er een jaartje later ook nog een onafhankelijkheidsoorlog gevoerd worden met de Engelsen, die ..., ach, laten we er over ophouden.
Het dieptepunt was een jaartje of dertig geleden bereikt, toen er nog maar twee distilleerderijen in Ierland over waren: de New Midleton Distillery in Cork, in het zuiden, waar onder andere Jameson vandaan komt (de Jameson distilleerderij in Dublin werd in 1975 gesloten), alsmede Paddy, Powers, Tullamore Dew, Green Spot, Redbreast, en wat al niet meer; en in het Noorden de Old Bushmills Distillery. Beide distilleerderijen waren op een gegeven moment eigendom van dezelfde eigenaar, Irish Distillers, die daarmee in z'n eentje verantwoordelijk was voor de totale whiskyproductie in Ierland! (Recenter, in 2005, werd Bushmills trouwens verkocht aan Diageo.)
Gelukkig veranderde er iets in 1987 met de komst van de Cooley Distillery. Deze werd gevestigd op het schiereiland nabij Dundalk, Co. Louth, ongeveer honderd kilometer noordelijk van Dublin, niet al te ver van de Noord-Ierse grens vandaan. Daar kwam de eerste weer onafhankelijke Ierse distilleerderij te staan, waar onder andere Kilbeggan wordt gemaakt. En dat was niet toevallig meteen de eerste whisky van de avond. We gaan proeven!
De naam van deze whisky verwijst naar de plaats Kilbeggan, die centraal in Ierland ligt.
Daar, in Kilbeggan, staat een in 1957 gesloten distilleerderij, Locke's, die nu eigendom is van Cooley. Locke's zou de oudste distilleerderij-met-een-licentie moeten zijn, met een licentie verkregen in 1757. Precies 250 jaar later, in het feestjaar 2007, is daar weer een kleine distilleerinstallatie neergezet. Dus ook hier wordt sinds kort weer gedistilleerd, maar dit terzijde.
Over de whisky zelf: deze Kilbeggan had zo'n "smooth sweet taste" die zo "typical Irish" is, aldus Linda. En inderdaad, dat zou een constante factor in deze proeverij blijken te zijn. Deze Kilbeggan is gemaakt van 70% grain en 30% malt, en is daarmee dus een heuse blended whiskey. Die geweldig gemakkelijk naar binnen gleed. Helemaal niet verkeerd en een mooie, zachte, echt Ierse opener.
In de Cooley distilleerderij worden zowel grain als malt whiskey gestookt. Voor het distilleren van de grain wordt gebruik gemaakt van de eerder genoemde Coffey Still. Deze grainwhiskey wordt ook als zodanig op de markt gebracht, dus we voegen de drank bij het woord, en gaan naar nummer Twee:<
Deze grain is gemaakt van corn: maïs dus. Dit is de enige grondstof die door Cooley geïmporteerd moet worden: alle andere gersten en mouten zijn "locally sourced". Turf ook. Water komt uit de naburige Cooley Mountains.
Overigens had Linda ook nog enkele glaasjes met new make spirit ingeschonken, die rondgingen, waar we allemaal even aan mochten snuffelen, en (de dapperen onder ons) ook stiekem even van konden proeven. Deze new make spirit had 65 alcohol, en was behoorlijk zoet (inderdaad, meteen al), maar ook fruitig. De Greenore heeft een rijping op "single used Heaven Hill bourbonvaten" gehad, die in belangrijke mate bijdragen aan de "honey and vanilla notes". De rijpende vaten liggen trouwens niet bij de Cooley distillery zelf, want met de Noordierse grens in de dichte nabijheid leek het de eigenaren indertijd raadzaam om de vaten wat verder landinwaarts hun rust te gunnen. En dus komt Kilbeggan weer om de hoek kijken. De oude Locke's distillerij had nog wel wat leegstaande warehouses, die daar uitermate geschikt voor waren. Alle whisky van Cooley's rijpt derhalve in Kilbeggan.
Overigens, nog wel even vermeldenswaard: Greenore is de enige Irish Single Grain ter wereld!
Dezelfde Greenore is er ook in een versie van 15 jaar, dus die gaat er meteen achteraan:
Het verschil is groot. Groter dan je misschien zou verwachten: niet alleen zachter, maar ook fruitiger, zoeter en veel voller. Als je na enkele slokjes terugkeert naar de 8 jaar oude, dan valt de laatstgenoemde nu toch wel snel weg. Er is alom instemming over deze mooie 15 jarige Greenore, die in het algemeen goed gewaardeerd wordt! Die waardering ligt overigens wel wat lager bij de proevers die niet van zoet gecharmeerd zijn... Deze zoetheid is dan ook een punt van discussie tijdens de eerste pauze, die zoals gebruikelijk gepaard ging met enige lekkere (zalm!) hapjes.
Al te lang duurde de pauze niet, want ondertussen werd er al weer historie opgehaald door Linda. De familie Watt was eigenaar van een ancient distillery (inderdaad: Watt's Distillery), opgericht in 1762, én een racepaard. Nadat deze draver eens -tamelijk onverwacht- veel geld had binnengehaald, besloten de eigenaren om één van hun toenmalige whiskeys te vernoemen naar deze prijswinnaar. De naam van het paard: Tyrconnell. Het zat 'm kennelijk in de naam, want vervolgens werd the Tyrconnell de "number one selling Irish whiskey in the United States", totdat de al eerder genoemde Prohibition hier een einde aan maakte. Gelukkig leeft de naam nu toch weer voort in de whiskey die als vierde werd geproefd:
Deze single malt, bestaande uit veelal 5 tot 8, soms 10 jaar oude whiskeys, is net als alle andere Whiskeys die Cooley stookt, dubbel gedistilleerd. Zou (mede daardoor) bijna voor Schots kunnen doorgaan. Smaakt ook wat traditioneler. Maar blijft tegelijkertijd ook onmiskenbaar Iers. Ook weer gemaakt van uitsluitend Ierse gerstemout. Goede whiskey, die voor net aan 26 euro in de winkel van eigenaar wisselt, en dat is goeie koop!
Tegelijkertijd ging er weer een glaasje new make spirit (ook 65 %) rond. Opmerkelijk steviger en scherper van smaak dan de spirit eerder op de avond, maar ja: het moest ook nog rijpen!
En oh ja, voor de paardeliefhebbers: een afbeelding van bovengenoemde knol siert het huidige etiket.
Onafhankelijk betekent voor Cooley ook: ruimte voor enige "experimental finishes". Daartoe selecteert de master blender van tijd tot tijd enige mooie vaten die hier 10 jaar lang geduldig op hebben liggen wachten en geeft hier een finish van ergens tussen de drie en acht maanden aan. Die finish kan in een sherryvat plaatsvinden, of een Madeiravat, of een portvat. Deze avond was er gekozen voor Linda's "own personal favourite": de port finish.
Daarin onderkende ze "almonds, pineapple, marzipan en een nutty finish". Mij ontbrak het aan zulke fijnbesnaarde smaakpapillen: door de finish ging er wat van de oorspronkelijke brille verloren, slechts zeer subtiel aangevuld door de finish. Ook de mij omringende proevers gaven de voorkeur aan de standaard Tyrconnell. Toch achteraf even in Jim Murray's whiskey bible opgezocht: 93 punten.
Dit als opmaat voor Nummer Zes: een niet in de handel verkrijgbare Tyrconnell.
Deze was meegenomen door Eva van Cooley's en was een proefmonster voor een eventuele clubbotteling. We mochten even op de stoelen zitten van Het Taste Panel van KCWS. Zij zijn altijd maar weer onvermoeibaar op zoek naar de Heilige Graal, de queeste naar een knappe clubbotteling, en deelde deze benijdbare taak vanavond met de aanwezige proevers, en dus kon iedereen zijn mening geven over een unieke, uit het eerste lustrumjaar van Cooleys stammende single malt. Die smaakte weer wat krachtiger dan de standaard Tyrconnell, maar deze was dan ook op vatsterkte. In het algemeen was het verschil met de voorgaande Tyrconnells subtiel. Uiteraard: de whisky op vatsterkte heeft extra bite, was wat peperiger, vooral veel alcoholischer (open deur, sorry, toch even stevig intrappen), maar was verder niet buitengemeen geweldig goed gerijpt. Erg leuk als curiositeit, maar als clubbotteling...?
De meningen waren dan ook niet unaniem. Was het nog een discussiepunt tijdens de pauze? Nou, er werd al snel meer over de uitstekende kaas en de lekkere worst gesproken. Wat? Peperworst? Neeeh...
Nu het dan toch pauze is: tijd voor een persoonlijke noot van Uw scribent.
Ik keer even terug naar de Greenore 15yo. Blijft de smaak van deze single grain nog steeds overeind, na deze cask strength single malt?, vroeg ik me af. Antwoord: ja hoor, absoluut! Toegegeven: de al eerder gememoreerde zoetheid valt eens te meer op. Nu ja, ach, vooruit, komaan. Is dat erg? Welnee! Mooi, hoor!)
Linda wordt ondertussen al weer enthousiast over het vervolg, en dat is begrijpelijk, als je weet dat het tijd wordt voor enkele Connemara's. Wij zijn weer één en al oor om te horen dat het hier om een single malt gaat, die peated, dus met turfrook geëest is, maar ook nog eens gemaakt is volgens de echte "Irish style Pure Pot Still" procedure. Wat hield dat ook al weer in, Pure Pot Still? Bij dit alleen in Ierland toegepaste procedé wordt "malted barley and unmalted barley" in één keer gedistilleerd, dus hierbij wordt zowel gemoute gerst als ongemoute gerst in de distilleerketel gestort. (Anders dan een blend waarbij achteraf twee verschillende soorten whiskey worden gemengd, is hier sprake van één distilleergang, maar uit verschillende grondstoffen.) Interessant, maar hoe smaakt ie? We zetten het volgende glas aan de lippen:
Eerste indruk: Hatsjekidee, dit is een andere klasse! De reuk is meteen al veel voller en complexer dan alle tot nu geproefde whiskeys.
Tweede indruk: Inderdaad, nu drinken we toch echt een heel goede whiskey. De smaak blijft beslist niet bij de geur achter, en de geur was al zo mooi. Deze Connemara onderscheidt zich beslist van de voorgaande whiskeys: licht rokerig, turfig (meer dan je zou verwachten op basis van de 15 tot 20 ppm), complex, fruitig, een vanillezoetje: het zit er allemaal in, en in een prachtig evenwicht. Is deze complexiteit een kenmerk van een Pure Pot Still whisky? Hij valt in ieder geval bij iedereen goed in de smaak! Deze standaard Connemara is ook weer samengesteld uit vaten van tussen de vijf en acht jaar. Dat belooft dus wat voor de finale van deze avond...:
Cask nr K92/34 4126. 141 (van meestal in totaal zo'n 250 flessen.)
Deze fles (nr. 141, meestal in totaal zo'n 250 flessen uit één cask) was aangeboden door Richard Blesgraaf van fa. Zeewijck uit IJmuiden.
Single cask. Deze Connemara is in feite dezelfde whiskey als de vorige, maar is vijftien jaar gerijpt en getapt uit een speciaal door de masterblender geselecteerd vat van uitzonderlijke klasse. Dat betekent globaal: twee keer zo lang gerijpt, en ook het transferbedrag is het dubbele. Dat schept verwachtingen. Maakt 'ie die ook waar?
Eh, nou, tsja. Wat zal ik hier nu van zeggen? Smaakt deze voller, anders, completer of verrassender dan de standaard Connemara? Hmmm, ja, maar op een weer vrij ingetogen wijze. Zoveel subtiliteit ontgaat mij aan het einde van de avond. Prima whisky. Maar waarin verschilt deze van de Connemara die maar de helft zo jong is? Kennelijk geeft een dosis jongere whisky toch juist dat beetje extra? Of is dat mijn voorkeur? Waarschijnlijk wel, want ik heb op sluikse wijze weer een slokje spirit, deze keer de New Make Peated Malt, weten te bemachtigen. Gedistilleerd in september 2009, 64%. In vergelijking met de new make spirit die Tyrconell moest gaan worden, is deze peated spirit opmerkelijk zacht, en toch uitgesproken turfig. Dit is lekker! Misschien had de Single Cask niet tot 46% teruggebracht moeten worden?, zou dat het zijn? Terwijl ik mijn gedachten hierover laat gaan, komt de laatste schaal hapjes langs...
Onder het genot van de bitterballen, die uitstekend combineren met de Single Cask, doe ik nog even een kleine terugblik.
Ierse whiskey is over het algemeen zoeter dan Schotse, maar heeft beslist zijn eigen charme. Is per definitie zachter, maar heeft ook ontegenzeggelijk eigen karakter, en moet het veelal van subtiliteiten hebben. Dat alles was al aanwezig in de Kilbeggan, en werd nog duidelijker in de Tyrconnell. Connemara was op een andere wijze subtiel, hier waren vooral ook de liefhebbers van het Schotse levenswater wat enthousiaster over. Alle eigenschappen, sommige juist wat minder subtiel, waren in overvloed terug te vinden in de Greenore, en dan vooral in die van 15 jaar, die de verrassing van de avond was.
Ronald Looyen
|